Erwin Peeters

Erwin Peeters, animalier: een vernieuwende schakel in een grote traditie

De beeldhouwkunst toegespitst op de uitbeelding van dieren heeft een groter aandeel gehad in de kunstgeschiedenis van Vlaanderen dan meestal wordt aangenomen. Dat sinds eeuwen onze beeldhouwers door dieren geïnspireerd werden, vertellen ons de kathedralen, de koorgestoelten, de fonteinen, de ruiterstandbeelden, de monumenten. Een eerste hoogtepunt inzake dieruitbeelding is het werk van de naar Italië uitgeweken Vlaming Giambologna (1529-1608). Hij werkte in Toscane voor de Medici’s. Bekend is onder meer het krachtige ruiterstandbeeld voor Cosimo I te Firenze.

Een volgende artistiek belangrijke stap werd in Frankrijk gezet, in het tweede kwart van de 19e eeuw. Antoine-Louis Barye (1796-1875) leverde baanbrekend werk met zijn ophefmakende sculpturen, met het realisme van zijn gedramatiseerde dierbeelden.

Talrijke Franse en Europese beeldhouwers hebben zich in Barye’s kielzog op het succesrijke dierenthema toegelegd. De benaming “animalier” werd een geijkte term, internationaal aanvaard en gangbaar, om beeldhouwers met deze specialiteit aan te duiden. Ook in België, Vlaanderen en Antwerpen werd het nieuwe genre populair, vooral vanaf het midden van de negentiende eeuw. In het recent onafhankelijke België ontbrak het niet aan officiële opdrachten en aan gedegen bronsgieterijen. Ook Vlaanderen en Antwerpen kenden dergelijke bedrijven. Antwerpen opende in 1843 een drukbezochte dierentuin en ook circussen waren er in de mode.

De overgang van de 19e naar de 20e eeuw wordt vooral gekenmerkt door de kunst van 3 grote Franse beeldhouwers: de charismatische Rembrandt Bugatti (1885-1916), de vernieuwende Emile-Antoine Bourdelle (1861-1929) en de modernistische Raymond Duchamp-Villon (1876-1918).

Rembrandt Bugatti, de broer van de bekende autoconstructeur Ettore, werd in Milaan geboren in 1885. In 1904 verhuist het gezin Bugatti naar Parijs. Vanaf 1907 bezocht Rembrandt regelmatig Antwerpen en de Zoo. Hij had een revolutionaire invloed op het animaliergenre, niet alleen op het vlak van de behandeling, maar ook wat de onderwerpen betreft. Het dier werd voorheen meestal afgebeeld als woest en agressief, gewelddadig en in conflict met zijn natuurlijke of kunstmatige omgeving. De sculpturen van Bugatti zijn evenwel sereen, rustig. Zij tonen naast de kracht, soms de zwakheid en vooral de tederheid van het dier. Het magistrale beeld de “Indische olifant” werd in de Antwerpse zoo door deze wereldberoemde animalier Rembrandt Bugatti gemodelleerd. Door de verschrikking van de Eerste Wereldoorlog, alsook financiële en amoureuze problemen ontnam een depressieve Rembrandt Bugatti zich in 1916, nauwelijks 31 jaar oud het leven. Een mythe werd geboren. Van deze kunstenaar heeft de Antwerpse Zoo drie werken in de collectie: Maraboe, Indische olifant en Oud trekpaard.

Van Bourdelle bezit het Middelheimmuseum naast Heracles als boogschutter – zijn meest bekende werk – en een portret ook een ram. Hoewel Bourdelle kan beschouwd worden als een van de grondleggers van de moderne beeldhouwkunst, is zijn bijdrage aan de dierenkunst minder omvangrijk dan die van Bugatti, die zich er vrijwel volledig aan wijdde.

Raymond Duchamp-Villon was een belangrijk beeldhouwer die in de invloedsfeer van het kubisme geraakte.  “Het grote paard” gecreëerd in 1914 is geen naturalistische weergave meer, maar wil het energetische principe, de bewegingsdynamiek van een paard uitstralen.

Het Middelheimmuseum verwierf dit meesterwerk.

Ook de Roemeen Constantin Brancusi (1876-1957) zou zich in het zoeken naar de absolute vorm door dieren laten leiden (o.m. De Haan, De Vis, Vogel) en zeer ver gaan in de abstrahering.

Doorheen de jaren kwam de Antwerpse Zoo in het bezit van talrijke kunstwerken, waarvan uiteraard dieren steeds het hoofdthema uitmaken. En welke Antwerpenaar is niet vertrouwd met de levensgrote bronzen kameel die vanop 21 meter hoogte de ingang van de Zoo aanduidt en van de hand is van Josuë Dupon (1864-1935).

De radicale ommezwaai van Rembrandt Bugatti, Duchamp-Villon en Brancusi zou het begin van de 20e eeuw markeren. In de jaren 1920 was er de Fransman François Pompon (1855-1933), waarvan het Middelheim een schitterende gestileerde witte beer bezit. In de jaren 1950 wordt het werk opgemerkt van de Italiaanse beeldhouwer Marino Marini (1901-1981) die een lange reeks schitterende variaties maakte op het thema van ruiter en paard en waarvan het Middelheimmuseum een typisch werk verwierf.

Ook vandaag nog is de animalier-kunst springlevend. Erwin Peeters (1964) behoort samen met bijvoorbeeld een Ronald De Winter (1956) tot de top. Erwin Peeters specialiseerde zich in het realistisch weergeven van dieren: momentopnamen van strijd, rust, spel enz. Uit zijn gevarieerd en boeiend oeuvre treedt de natuur in al haar facetten naar voren: ruw, meedogenloos, ontroerend en eeuwig jong.

Erwin Peeters is een beeldhouwer, die de traditie van de Antwerpse animaliers met verve verderzet. Uiteraard heeft de romantiek van de 19e eeuw plaatsgemaakt voor een eigentijdse interpretatie van het dier. Erwin Peeters getuigt hierbij van een krachtige eenvoud en een bijzonder observatievermogen, gevoed door 7 jaar werkzaam te zijn als dierenverzorger in de Antwerpse Zoo. Zijn geliefkoosde objecten zijn onder meer apen, paarden en arenden, archetypische dieren, met een mythisch gehalte. Hierdoor krijgt het uitgebeelde dier een dimensie bij, en daar komt het toch op neer in de kunst. Door het feit dat hij het instinctieve karakter van het dier tot uiting kan laten  komen, creëert hij een spirituele meerwaarde.

De kunstenaar werkt voor het bronsgieten samen met de gebroeders Norga te Oudenaarde. Gezien hij gebruikelijk slechts 6 exemplaren en soms 1 tot 4 epreuve d’artiste laat gieten, blijft het gelet op de conventies van de beeldhouwkunst bij het origineel en belandt hij niet in het multiple.

Artistiek gezien, gebruikt hij de verworvenheden van de twintigste eeuwse sculptuur zoals die
door figuren als een Ossip Zadkine (1890-1967) en Henry Moore (1898-1986) werden bereikt, met het openbreken van monoliete structuren en het creëren van een ruimtelijk gegeven, met open delen. Erwin Peeters heeft de vorm opengebroken, totdat de ruimte besloten in de holten van het beeld even belangrijk is als de massa, het brons, die deze ruimte omvat. In zijn beelden kan het licht doordringen en meteen het spel van licht en schaduw en is de achterkant even belangrijk als de voorkant.

Ernest Van Buynder,
Voorzitter MuHKA – juli 2004.

Literatuur: een selectie // Pour aller plus loin.

  • Charles Wentinck, De moderne beeldhouwkunst in Europa, Uitgeversmaatschappij W. De Haan, Zeist, 1961.
  • Hilde Van Loock-Verberckmoes en Frans Mertens, Geïllustreerde Inventaris van het Kunstpatrimonium, Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen, Antwerpen; 1975.
  • M.-R. Bentein-Stoelen, Middelheim – Anvers, catalogue de la collection musée de sculpture en plein air, Anvers, 1987.
  • Paul Verbraeken e.a., 150 jaar monumentale animalier sculptuur, Esco-Zoo Antwerpen, Antwerpen, 1993.
  • Harry Bellet e.a., Brancusi, Beaux Arts Magazine-Centre Georges Pompidou, Paris, 1995.
  • Ludo Bekkers e.a., Henry Moore, Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim – Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen, Antwerpen, 1999.
  • Karl Ruhrberg e.a., Kunst van de 20e eeuw, Taschen/Librero, Köln, 2001.